Gioacchino Antonio Rossini (1792-1868)

HandelGioacchino Antonio Rossini werd op 29 februari 1792 in Pesaro geboren en overleed op 13 november 1868 in Parijs.
In zijn vroegste jeugd traden reeds de twee eigenschappen aan het licht die zijn verdere leven zouden bepalen: zijn grote muzikale aanleg en zijn verbijsterende luiheid. Tekenend is de anekdote dat Rossini, die vaak in bed componeerde, eens een bijna volgeschreven blad op de grond liet vallen: liever dan het op te rapen maakte hij een nieuwe aria.
In zijn jeugd weigerde hij iets anders te leren dan wat hij nodig had voor het schrijven van opera’s.

In 1810 debuteerde hij met de opera La Cambiale di Matrimonio. Door zijn opera Tancredi (1813) werd hij op slag wereldberoemd. Lange tijd leefde Europa toen in een Rossini-roes: Beethoven liet bijvoorbeeld bij de première van zijn negende symfonie een aria uit Tancredi zingen om publiek te trekken.

Nadat hij in 1823 was verhuisd naar Parijs, publiceerde Rossini gemiddeld twee tot drie opera’s per jaar, waaronder meesterwerken als Il barbiere di Sivigla (1816) en Guillaume Tell (1829). Met laatstgenoemde opera stond hij op 37-jarige leeftijd op het hoogtepunt van zijn carrière en beleefde hij triomfen in het voornaamste theater van de wereld: de grote Opera in Parijs.

Wie had kunnen voorzien dat het jaar 1829 tevens het einde van zijn stralende theatercarrière zou betekenen?

De val van Karel de Tiende, waardoor hij zijn ambt als hofcomponist verloor, en zijn slechte gezondheidstoestand dwongen de componist zijn activiteiten tot een minimum te beperken. Hij leefde nog bijna veertig jaar, maar componeerde bijna niets meer!
De hele oogst van de laatste veertig jaar is het Stabat Mater, de Petite Messe Solennelle en enkele kleine pianostukjes, geschreven voor eigen amusement. De rest van de tijd vulde hij met zijn grootste hobby’s: nietsdoen, salonbezoeken en niet te vergeten het keukenfornuis.

Tussen 1810 en 1829, in negentien jaar tijd, heeft Rossini veertig opera’s gecomponeerd; van 1829 tot 1868, veertig jaar lang, geen enkele!


Petite Messe Solennelle


De Petite Messe Solennelle wordt ook wel het muzikale testament van Rossini genoemd.
Rossini had zich teruggetrokken in Parijs, hij was oud en had al dertig jaar niet gecomponeerd. Op zijn zestigste pakt hij de draad weer op en in 1863 schrijft hij zijn ‘kleine, plechtige’ mis.

Het ‘kleine’ van deze mis komt o.a. tot uiting in het kleine aantal instrumentalisten. Maar dat kleine wijst ook op zijn nederige, eerbiedige houding tegenover God.
Als inleiding schrijft Rossini bij zijn manuscript:
“Twaalf zangers van drie geslachten: mannen, vrouwen en castraten, dat is voldoende voor de uitvoering; te weten acht voor het koor en vier voor de solo’s. Deze twaalf cherubijnen zullen de Lieve Heer lof toezingen in deze kleine compositie, die helaas de laatste doodzonde van mijn ouderdom is. Ik was geboren voor de Opera Buffa; een weinig bekwaamheid, een weinig liefde, dat is alles. Zij dus geloofd, en zegen mijn hoofd.”
Maar dat is nog niet voldoende. Op de laatste pagina schrijft hij:
Bon Dieu! ziet, nu is deze arme mis klaar. Is het werkelijk sacrale muziek of vervloekte muziek? Ik ben voor de Opera Buffo geboren, dat weet u best. Een beetje techniek, een beetje ziel, dat is alles. Welnu, wees geprezen en verleen mij toegang tot het Paradijs.

Het is de mis van een operavakman. Waarom zou hij zich ervoor generen? De goede God had hem zelf zo gemaakt. Deze mis, die Rossini componeerde op verzoek van gravin Louise Pillet-Will, moest worden uitgevoerd bij de inwijding van de huiskapel in haar huis in Parijs.
De Petite Messe Solennelle werd twee keer tijdens zijn leven uitgevoerd. De 13e maart 1864 in de vorm van een generale repetitie ten huize van de gravin, en de dag daarop voor een zeer selectief gehoor van bankiers, aristocraten, ambassadeurs en de pauselijke nuntius. Daarna viel het wat dit werk betreft stil.
Rossini hield van deze mis om haar stille overpeinzing en de terughoudendheid van de begeleiding, en hij wilde haar niet uitleveren aan het publiek. Toch heeft hij haar later, in 1867, nog zelf georkestreerd; niet uit enthousiasme, maar omdat hij vreesde dat dit anders gedaan zou worden door een klusjesman.
Pas na zijn dood werd deze mis eindelijk gepubliceerd en voor het grote publiek ten gehore gebracht, in 1869, in het Theatre Italien in Parijs. Het is evenwel de gewoonte geworden om de Petite Messe Solennelle uit te voeren in de oorspronkelijke versie, dus zonder orkest. Zo ook vanavond.