Arthur Honegger (1892-1955)

Le Roi David

Honegger werd in 1892 in Le Havre geboren en stierf in 1955 in Parijs. Hij begon zijn opleiding in Zürich en vervolgde vanaf 1911 zijn studie aan het Parijse conservatorium waar onder anderen Widor, Caplet en d’Indy zijn leraren waren. Hij was bevriend met Milhaud, Auric, Durey, Poulenc en Taillefaire, met wie hij de Groupe des Six vormde, een groep componisten die rond 1920 in Frankrijk een grote invloed had.

Het oratorium Le Roi David is ontstaan als muziek bij een toneelstuk van René Morax. De openluchtuitvoering van het werk in 1921 in een klein Zwitsers dorp werd de doorbraak van de componist Honegger. Omdat het stuk in deze gedramatiseerde vorm niet geschikt was voor de concertzaal, herschreef Honegger het werk twee jaar later. Morax wijzigde de tekst en liet een verteller de verbindende teksten spreken. Door het vertellen van het bijbelse verhaal van koning David en de structuur van het stuk mag Le Roi David met recht een oratorium genoemd worden, hoewel Honegger het de ondertitel “Psaume symphonique” gaf. Het werk bestaat uit drie delen die op zich ook weer bestaan uit meerdere stukken. De verteller vertelt in beknopte vorm het bijbelverhaal over David zoals we dat vinden in het boek Samuël. Daarnaast is er een belangrijke rol voor psalmteksten. Zij hebben een meer beschouwende functie en geven uitdrukking aan de op dat moment van het verhaal beleefde emotie.

In het eerste deel zien we de ontwikkeling van David van herder tot held van het volk door zijn overwinning op de reus Goliath. Daarna wordt de vijandschap beschreven die geleidelijk ontstaat tussen Saul en David. Het deel sluit af met de indrukwekkende klaagzang over de dood van Saul en Jonathan. Het tweede deel is één grote lofzang op de Eeuwige, de God van Israël. Dit deel bestaat uit slechts twee stukken. Het tweede stuk beschrijft Davids dans voor de Ark des Verbonds en is zeer groots van opzet en vormt eigenlijk de spil van het hele oratorium. In het derde deel komen we het overspel van David met Bathseba tegen, de dood van Absalom, de dood van David en de kroning van Salomo. Dit deel met de ontroerende boetepsalmen is dus wat somberder van toon, maar sluit uiteindelijk toch met een groots< Halleluja. In dit laatste deel kunnen we in de tekst ook een toespeling zien op de komst van Christus als telg van het geslacht van David.

Anton Bruckner (1824-1896)


Requiem d-Moll

Bruckner werd geboren in het dorpje Ansfelden in Oostenrijk, waar zijn vader schoolmeester was. De jonge Bruckner studeerde piano, viool, orgel en compositie bij uitstekende leraren in zijn omgeving. Na het overlijden van zijn vader werd hij naar een kloosterschool bij Linz gestuurd en leek hij voorbestemd om zijn vader op te volgen als dorpsschoolmeester. Een aanstelling als organist in de kerk van Stift Sankt Florian voerde hem echter terug naar de muziek. Bruckner legde zich voornamelijk toe op de genres symfonie (hij schreef elf groot opgezette symfonieën) en religieus koorwerk, en bereikte daarin grote hoogten.

Het Requiem schreef Bruckner naar aanleiding van het overlijden van Franz Sailer, zijn geliefde mentor in het klooster Sankt Florian. In maart 1849 was het voltooid en hoewel Bruckner toen 25 jaar oud was, is dit werk als een jeugdwerk te beschouwen omdat hij zich pas op zijn veertigste capabel achtte om aan de vrije compositie te beginnen. Precies een jaar na het overlijden van Sailer werd het werk voor het eerst uitgevoerd in de kloosterkerk. Daarna bleef het vele jaren in de la liggen. Als in 1892 het werk op verzoek van Bruckner opnieuw wordt uitgevoerd ter nagedachtenis aan een andere vriend, zal hij over zijn Requiem zeggen: “Het is niet slecht.” In 1930 werd het werk voor het eerst gedrukt en uitgegeven.

Dit Requiem bewijst Bruckners kunst in vierstemmige koorstukken. Heel duidelijk is dat de muziek gezet is naar de woorden en geworteld is in de stijl van de kerkmuziek van die tijd. Opvallend is de benadrukking van de afzonderlijke lettergrepen waardoor een soort van “marcato”-effect wordt bereikt. Door het hele werk heen is de invloed van Mozart te horen. Met name de terughoudende opening en de toonsoorten vertonen overeenkomst met het Requiem van Mozart. Toch wordt het persoonlijke genie van Bruckner in dit werk, dat tevens de traditie van Michael Haydn volgt, nu en dan reeds duidelijk aangekondigd. Bijvoorbeeld aan het begin van het aangrijpende Dies irae, waar Bruckner, zoals hij dit later ook in zijn missen zal doen, het passagewerk van het strijkorkest gebruikt als stimulerende achtergrond. De uitbundige fuga Quam olim Abrahae en passages als Hostias en Benedictus met hun ingetogen sfeer zijn indrukwekkende hoogtepunten. Bij alle eenvoud en zorgzaam gebruik van stemmen en instrumenten geeft het werk door het samenspel van de klanken een diepe emotie weer.