Johann S. Bach De Hoogmis

BachMis in b-klein ( Mass in b-minor , Missa in h-moll ),  met de ( fantasie ) naam Hohe Messe.

De Hohe Messe is een verzameling van vaste onderdelen van de rooms-katholieke kerk, het zogeheten Ordinarium. Deze onderdelen zijn het ‘Kyrie - Gloria - Symbolum Nicaenum ( =Credo ), Sanctus / Benedictus en Agnus Dei’. Dit waren ook de onderdelen in de protestantse liturgie. Tot in de 18de eeuw had de protestantse mis in Leipzig veel elementen uit de katholieke kerk behouden. Het was nl. aanvankelijk Luthers bedoeling ook niet geweest in alle opzichten met de katholieke eredienst te breken. Naast de Latijnse mis stelde Luther later een ‘deutsche Messe’ in, (o.a. in de plaats van het Introïtus kwam een palmvers; het Gloria vervalt en het Sanctus en Agnus werden verduitst) speciaal voor kleine kerken. Zo kon men dus in Bachs tijd de verschillende vormen van de mis tegenkomen.
Op hoge feestdagen klonken het meerstemmige Kyrie en Gloria en het Credo - in het  Duits ‘der Glaube’ genoemd; anders dan gewoonlijk korte eenstemmige delen van de mis met koraalmuziek .
Zo (Kyrie en Gloria in Latijnse tekst ) kwam men er toe de beide eerste delen van het ordinarium in de protestantse liturgie als ‘Missa’ te betitelen. Ook Bach bleef deze gewoonte trouw.

Waarom Bach - die een orthodox-Lutherse opvoeding had gehad - aan het einde van zijn leven zijn ‘korte Mis’ uitbreidde tot een volledige mis is nog steeds niet duidelijk.
Zijn kerk had er geen behoefte aan. Nog minder waarschijnlijk is het dat de overtuigde Lutheraan zich innerlijk tot het schrijven van een Rooms-katholieke mis geroepen voelde. Er zijn genoeg verklaringen / hypothesen door evenzo vele kenners. Een paar voorbeelden hiervan: Bach zou het Kyrie en Gloria (de ‘Missa’) hebben gecomponeerd als feestmuziek voor het bezoek van de nieuwe koning van Saksen, Augustus II aan Leipzig. Dat zou ook het karakter van beide delen kunnen verklaren. De componist zou het Kyrie een ‘requiem‘ karakter hebben gegeven ter herinnering aan de pas overleden vorst Augustus de Sterke! Maar er zijn genoeg argumenten te bedenken tegen deze mogelijke redenen van Bach om een Rooms-katholieke mis te schrijven.

De misgezangen na het Credo zijn op protestantse en niet op katholiek-liturgische wijze gerangschikt. In wezen is de Hoogmis dus geen liturgisch werk; de onderverdeling van de ordinariumdelen in aria’s, duo’s en koordelen doen meer aan een concertmis denken, zoals Mozart, Haydn en Beethoven die schreven. Ondanks de onderbrekingen bij de compositie
– vijf jaar na de ’Miss’ ontstonden waarschijnlijk pas de overige delen – vormt het werk een mooie samenhangende en gesloten eenheid.
Als geheel heeft de mis tijdens Bachs leven hoogstwaarschijnlijk nooit geklonken. In alle opzichten steekt de Hoogmis boven alle ordinarium-composities voor Bachs tijd uit.
En na hem zou alleen Beethoven met de ’Missa Solemni’ een waardige evenknie zijn.

Uiterlijk onderscheidt het werk zich niet van de gebruikelijke vijfdelige ordinarium-vorm; elk van de onderdelen is echter uit verschillende delen samengesteld, die min of meer met de cantates vormen van Bach verband houden.

Het Kyrie is als gewoonlijk driedelig: het eerste deel vijfstemmig, het tweede Kyrie vierstemmig die het milde ‘Christe eleison’  - duet voor twee sopranen - omsluiten.

Het Gloria omvat niet minder dan acht delen: een juichende stemming – o.a. trompetten en pauken – in deze engelenzang. Het vredige ’Et in terra pax’ brengt een tijdelijke verstilling, maar eindigt tenslotte in een prachtige fuga.  Het ’Laudamus te’ is aan een mezzosopraan toegedacht. Het ‘Gratias’ is weer een groots opgezette fuga voor vierstemmig koor.
Het is een bewerking van een deel uit de cantate ‘Wir danken dir Gott’. Het volgende ‘Domine Deus’ is een duet voor tenor en sopraan en symboliseert de eenheid van God de Vader en de Zoon.
Het vierstemmige ‘Qui tollis’ is als een canon en is een bewerking van het openingskoor van de cantate ‘Schauet doch und sehet’. Daarna de alt aria ‘Qui sedes ad dexteram Patris’ en de bas aria ‘Quoniam tu solus sanctu’: dat symboliseert het bemiddelende karakter van Christus en de waardigheid van Gods Zoon.  De vijfstemmige fuga ‘Cum sancto spiritu’ sluit het Gloria-deel groots af.

Het Credo bevat zes koordelen, een duet en een bas aria. Bach heeft deze geloofsbelijdenis op eigen wijze vertolkt en ingevuld. In de RK liturgie wordt het ‘Credo in unum Deu’ op de Gregoriaanse kerktonen door de priester of cantor gezongen. Bach laat dit door het koor zingen, twee keer zelfs. Bach wil zich blijkbaar niet los maken van de Gregoriaanse intonatie en voert dit uit in een vijfstemmige fuga – (1e Credo ).
In het 2e Credo wordt de geloofsbelijdenis verder uitgewerkt als een vierstemmige eenheid – als een luxe fuga.
Voor het duet tussen sopraan en alt ‘Et in unum Dominum’ is weer voor de symbolische canon gekozen; het is de voorbode van het mysterie van de ‘Incarnatie’ (dat God mens werd in Jezus Christus). Het eerste van de drie centrale koren in het Credo gaat over het leven van Christus op aarde: menswording, kruisiging en opstanding.
Het ‘Et incarnatus est’ is een van Bachs modernste -stilistische- composities. Bij deze menswording creëert Bach een donkere en smartelijke sfeer. De Zoon komt om te lijden en gekruisigd te worden.
Het ‘Crucifixus’ als centrum van het Credo, verhaalt over de kruisiging, een zware  lijdensweg, een klaagzang.
Als een jubelkreet klinkt het ‘Et resurrexit’ op, de opstanding van de Heer. Bach gebruikt hiervoor zoals altijd bij feestelijke stukken pauken en trompetten.
Het derde artikel van de geloofsbelijdenis ‘Et in Spiritum Sanctum’, de bas aria, staat symmetrisch tegenover het ‘Et in unum’ en bevat veel tekst. Een verstild muzikaal rustpunt.
Het vijfstemmige ’Confiteor’ gaat over de belijdenis van de doop tot vergeving van de zonden.
Hierna volgt het ’Et expecto’, als bazuinen van het Laatste Oordeel markeren de trompetten de komst van de langverwachte jongste dag, voor gelovigen de dag van opstanding uit de dood.

Het Sanctus is een van de oudste delen van het ordinarium. Het werd uit de Joodse liturgie overgenomen en heeft betrekking op Jesaja 6.3. Het is één van de meest weelderige en luisterrijke gedeelten, een monument als loflied op de hemelse Heer der Heerscharen.
Het is het enige zesstemmig koor in Bachs Hoogmis en muzikaal geheel gebaseerd  op het dogma van de drie-eenheid . Dit brengt Bach tot uitdrukking in een tweemaal driestemmige eenheid van de instrumentatie (strijkorkest, drie trompetten en drie hobo’s  plus pauken). De stemgroepen zingen naar elkaar toe, met een motief in de baslijn.
Het tweede deel van de tekst ‘Pleni sunt coeli’ is weer als een fuga opgezet.
Nog uitbundiger en feestelijker klinkt het achtstemmige ‘Osanna’. Hier klinkt het enthousiasme van de menigte bij de intocht van Christus in Jeruzalem.
Het middendeel ‘Benedictus’ vormt het grootst denkbare contrast: de tenor begroet nederig Hem, die komt in de Naam van de Heer. Het Osanna heeft de Italiaanse Da capo vorm.

Daarna volgt de alt aria ‘Agnus Dei’. De mistekst omvat driemaal de aanroep ‘Agnus Dei, qui tollis pecata mundi’, tweemaal gevolgd door ‘Miserere nobis’ en de derde maal door ‘Dona nobis pacem’. Bach laat dit laatste vervallen en schrijft een vierstemmig slotkoor uitsluitend op deze vredesbede.

 ”Dona nobis pacem” ……………Geef ons vrede