Johann Sebastian Bach (1685-1750) Weihnachts-Oratorium

BachJohann Sebastian Bach werd op 21 maart 1685 te Eisenach geboren.

Hij stamt uit een oude Thüringse familie van musici. Als negenjarige jongen verloor hij zowel zijn moeder als zijn vader, waardoor hij bij zijn oudste broer Johann Christoph in huis kwam, die zijn muzikale opvoeding ter hand nam. Nadat hij in 1703 het gymnasium had doorlopen, kreeg hij een plaats als violist in de kapel van hertog Johann Ernst te Weimar.

In 1704 werd hij organist te Arnstadt en in 1705 ondernam hij een voetreis naar Lübeck om daar de beroemde Buxtehude te horen spelen. In 1707 werd Bach organist aan de St. Blasiuskerk te Mühlhausen en trouwde hij met zijn nicht Maria Barbara Bach. Een jaar later werd hij concertmeester aan de hofkapel van Weimar, waar veel van zijn mooiste werken ontstonden en hij met de stadsorganist Walther bevriend raakte.

Toen vorst Leopold von Anhalt-Köthen hem benoemde tot hofcomponist terwijl zijn hertog hem niet wilde laten gaan, werd Bach wegens contractbreuk vier weken gevangengezet. Omdat zijn diensten in de gereformeerde liturgie niet gewenst waren, werkte hij in Köthen alleen in de hofkapel.

In 1720 reisde Bach naar Hamburg, waar hij voor de 100-jarige Reinken improviseerde die daarover zeer verheugd was. ”Ik dacht dat deze kunst was uitgestorven, maar in u leeft zij nog,” sprak hij tot de jonge meester.

Nadat in 1720 Bachs eerste vrouw was gestorven, trouwde hij het jaar daarop met Anna Magdalena Wülken, dochter van een hoftrompettist uit Weisenfells, met wie hij eveneens een gelukkig huwelijk had. In 1723 werd Bach cantor aan de Thomaskirche in Leipzig. Hij kreeg daar een orkest van 8 beroepsmusici en een koor dat bestond uit 54 knapen. Met dit Collegium Musicum organiseerde hij vele concerten.

In de 27 jaar dat Bach in Leipzig werkte, had hij regelmatig onenigheid met zijn werkgevers, die hem zagen als een wat vreemde, koppige man, die met verouderde contrapuntische muziek bezig was.

Voorjaar 1749 werd Bach ziek, zijn ogen gingen sterk achteruit en hij werd nagenoeg blind. Op 28 juli 1750 overleed hij in Leipzig.

Zijn omvangrijke oeuvre omvat cantates, orkestwerken (o.a. de zes Brandenburgse concerten), orgelwerken, klavierwerken (waaronder Das wohltemperierte Klavier), soloconcerten, sonates en ten slotte zijn grootste werken: de Messe in h-Moll (later bekend geworden als de Hohe Messe), de Johannes-Passion en de Matthäus-Passion.

Weihnachts-Oratorium

Het Weihnachts-Oratorium is eigenlijk in het geheel geen oratorium, al heeft Bach het werk zelf zo genoemd. We hebben namelijk te maken met een serie van zes zelfstandige cantates die werden uitgevoerd op eerste, tweede en derde kerstdag, nieuwjaarsdag, de zondag na Nieuwjaar en 6 januari, bij ons bekend als Driekoningen. Deze cantates zijn geschreven voor Kerstmis 1734. De evangelieteksten zijn ontleend aan de Bijbelboeken Lucas en Mattheüs; de overige teksten zijn van Christian Friedrich Henrici, pseudoniem Picander, met wie Bach vele jaren heeft samengewerkt. De instrumentatie is voor ieder deel verschillend, met als kern het strijkorkest en continuo. De vocale partijen zijn voor vierstemmig gemengd koor en vier solisten: sopraan, alt, tenor en bas. De belangrijkste partij is uiteraard die van de verteller van het evangelie, waarvoor Bach een tenorstem heeft gekozen. De koren, aria’s en arioso’s zijn beschouwingen en reacties op het evangelieverhaal.

Eerste cantate (voor eerste kerstdag)

De eerste cantate begint met het imposante inleidingskoor ’Jauchzet, frohlocket, auf preiset die Tage’, waarna de evangelist aanvangt met de bekende woorden uit Lucas 2: “En het geschiedde in die dagen…” In aria’s en koralen wordt de komst van Christus bezongen.

Tweede cantate (voor tweede kerstdag)

De tweede cantate begint met een inleiding voor orkest, Sinfonia genaamd, een schilderij in muziek van de engelen die aan de herders verschijnen en God prijzen. Eigenlijk is dit een voorloper op wat volgt: het recitatief waarin verhaald wordt dat de engel des Heren aan de herders verschijnt en hun de geboorte van Christus verkondigt. Hoogtepunt in de tweede cantate is de prachtige aria ’Schlafe mein Liebster’.

Derde cantate (voor derde kerstdag)

In de derde cantate wordt het bezoek van de herders aan Jezus beschreven. In deze cantate staat vooral de dankbaarheid centraal. Het derde deel opent met het koor ’Herrscher des Himmels, erhöre das Lallen’ en sluit daar ook mee af.

Vierde cantate (voor nieuwjaarsdag)

De vierde cantate begint met de herinnering aan de dag waarop het kind Jezus zijn naam ontvangt. Na recitatieven van de evangelist en van de bas, gevolgd door een duet van sopraan en bas, volgt de echo-aria ’Flößt mein Heiland’, een dialoog tussen de gelovige ziel en de reddende Heer. De tenoraria ’Ich will nur dir zu Ehren leben’ is een van de fraaie hoogtepunten van deze cantate.

Vijfde cantate (voor de zondag na Nieuwjaar)

De vijfde cantate verhaalt het bezoek van de drie Wijzen uit het Oosten aan koning Herodes. De woorden ’Wij hebben Zijn ster gezien’ geven aanleiding tot beschouwingen over het licht dat met Jezus op aarde verschenen is, gesymboliseerd door de ster die aan de Wijzen verschijnt.

Zesde cantate (voor Driekoningen)

De zesde cantate ten slotte vertelt hoe de Wijzen na hun bezoek aan koning Herodes naar Bethlehem reizen, waar ze het kind vinden en hun geschenken aanbieden. In dit deel staat centraal dat de vijandelijke machten het Christuskind geen schade kunnen toebrengen. Bach maakte hier een koppeling naar het heden door te stellen dat ook een gelovige die zich onder Jezus’ bescherming stelt, veilig is.

In verband met de lengte van het Weihnachts-Oratorium voert het Toonkunstkoor de eerste vier cantates en het openingskoor van de vijfde cantate uit.